-
Sauceren
Dit betekent dat je de saus rond een gerecht schikt.
-
Schillen
Dit is het verwijderen van een schil van bijvoorbeeld een appel of aardappel.
-
Schrappen
Dit is het met een mesje afkrabben van de buitenste laag van groenten, bijvoorbeeld van een wortel. Hierdoor smaken bepaalde voedingswaren een stuk lekkerder.
-
Serveren
Serveren is het opdienen van eten of iemand iets voorzetten op een nette en mooie manier.
-
Smoren
Dit is het zachtjes gaar maken van voedingsmiddelen in een gesloten pan. Denk aan het bereiden van vlees of groenten op deze manier.
-
Snijden
Dit kun je om meerdere redenen doen: om het kookproces sneller te laten verlopen, om iets gemakkelijker op te kunnen eten of om een voedingsmiddel een mooie vorm te geven.
-
Stampen
Dit is het fijn maken met een stamper van meestal een gaar gerecht (zoals gekookte aardappelen), zodat het goed gemengd kan worden. Bijvoorbeeld boerenkool- of andijviestampot.
-
Stijfkloppen van eiwit
Door eiwitten te kloppen, komt er lucht tussen de eiwitvliezen en daardoor wordt het schuimig/stijf.
-
Sudderen
Een gerecht op een laag vuurtje in een (altijd!) gesloten pan gedurende langere tijd gaar laten worden.


