Column Karlijn deel 6: 'Ik ben rot op jou'

Karlijn Brinkman heeft een relatie met Omran, een Syrische vluchteling. Daarover schrijft ze voor ELLE.

Meest gelezen

Karlijn Brinkman heeft een relatie met Omran, een Syrische vluchteling. Over die relatie schrijft ze haar column voor ELLE.nl. Na deel 1, deel 2, deel 3, deel 4 en deel 5, is het tijd voor deel 6: rot op jou.

'We fietsen door Amsterdam. Of eigenlijk, hij fietst door Amsterdam. Ik zit achterop. Volgens mij tellen achteropzitters nooit echt mee in het straatbeeld van Amsterdam. Ze worden niet gezien. Tot ze er op een dag niet meer zijn, dan pas zullen ze gemist worden. Terwijl Omran een vrouw op een vrolijk gekleurde fiets inhaalt, kijk ik naar het wiel dat eindeloze rondjes draait als een draaimolen op een kinderkermis. Ik voel me altijd een beetje schuldig wanneer ik plaatsneem op de krakende bagagedrager en voel hoe het metaal van het wiel onder mij de grond raakt. Ik zie dan voor me hoe we aan de andere kant van de stad beteuterd staan te kijken naar een leeggelopen fietsband.

Advertisement - Continue Reading Below

Ik kijk naar Omran zijn rug. Hij schokt van links naar rechts en zijn haar vliegt er als zeewier in slow-motion achteraan. Zijn benen gaan steeds sneller want hij beseft dat het stoplicht aan het einde van de straat al te lang op groen staat en elk moment rood kan worden. We halen mensen in. Oude man met lange jas. Moeder met kind. Eindexamenkandidaat op weg naar ondergang. En daar is 'ie dan: het stoplicht. Een oranje stoplicht. Een rood stoplicht. Omran fietst door, want dat is Omran. Hij gaat door. Ik pak zijn jas stevig beet. Dit gaat een aantal heftige seconden worden. Hij gaat snel en ontwijkt drie bumpers en twee scooters terwijl ik mijn best doe om mijn benen wel binnenboord maar niet tussen de spaken te houden.

Meest gelezen

Ik vraag me af hoe lang dit goed blijft gaan, dit achterop zitten. Maar het maakt niet uit. We zijn aan de overkant. "Je bent een superheld." "Jij bent een superheldin." "Ik had trouwens een voldoende voor dat tentamen." "Wat is een voldoende?" "En cijfer hoger dan een 5,5." "Oh, ja. Dus je hebt het gehaald?" "Ja, ik heb het gehaald." "Ik ben rot op jou." "Wat ben je?" "Rot op jou." Ik moet lachen. De vrouw die achter ons fietst moet ook lachen. We zeggen niets. Van sommige taalfouten die hij maakt wil ik geen taalgoeden maken, zoals niemand wil dat een klein kind groot wordt omdat ze zo onwijs schattig zijn. Ik voel hoe het metaal van het wiel onder mij de grond raakt. Een vluchtheuvel, een putdeksel en een gat in de weg. De band loopt leeg en hij zet zijn fiets op de stoep terwijl de lachende vrouw verder fietst. Beteuterd staan we aan de andere kant van de stad te kijken naar een leeggelopen fietsband. Ik kijk naar Omran. "Ik ben ook trots op jou." We beginnen te lopen.'