'We hebben een intelligente puppy in huis die je eindeloos in de dikke, slappe beentjes kan bijten'

Deze week is het gebeurd. Ik ben wee geworden.

Meest gelezen

Wee als een flubberende oester in een schelp. Klaar om opgeslokt te worden. Ik zal niet protesteren.

Om eerlijk te zijn: die eerste maanden van Ezra's leven overheerste de paniek. De bevalling, de oerkracht, de pijn en de beloning die je daarna plots in je handen hebt verworden tot een verbijsterende herinnering. Wat over blijft is een verfrommeld wezentje waar de menselijkheid nog lastig in te herkennen is.

Advertisement - Continue Reading Below

Je weet dat je hem niet mag laten sterven. Je voelt dat je goed voor hem moet zorgen. Maar je weet niet wie je voor je hebt. Wat hij wil. Of hij is zoals jij. Je staat op en gaat liggen, in de maalstroom van een eindeloze dag en nacht. En tussendoor voed je, draag je, geef je kusjes die niet terug gegeven worden en hoop je op het beste.
Maar toen was het Kerstmis en lachte hij voor het eerst naar ons. Een echte lach. Om een gek geluidje. En dat brrrrr herhaalden we vervolgens gretig, nee, manisch, tot het glimlachje weer verwaterde in de tobberige blik van de in zichzelf gekeerde foetus. Maar we hadden het gezien en we wisten dat we er naar konden terug keren.

Meest gelezen

 

En wij zinken weg in de liefde, die niets te maken heeft met rationele overwegingen.

 

Het werd steeds beter. Het gezichtje bloeide op, tot we een vierkant en tegelijkertijd kogelrond hoofd voor ons hadden waar de wangen appelrood en glanzend bijna op leken te liggen.

En iedere dag leek er nieuwe stroom door de draadjes in zijn hoofd gejaagd te worden. Dan weer in de frontale kwab, dan weer in de temporale kwab. Als een huis waar je de kamers een voor een verlicht. Op sommige dagen werd het elektrische verkeer in zijn hersenpan zo aangejaagd, dat hij verzandde in redeloos geschreeuw. Of in plotselinge huilbuien. Of in hysterisch gelach om een blokje dat rammelde. Als paardenmenners bleven we hem voortdrijven. Laat nog eens zien hoe je rolt. Laat nog eens zien hoe je voeten bijna tot aan je neus kunnen komen. Eet deze broodkorst en smak er zo allesverslindend lief bij.

En weer daarna begonnen we opeens kleine flarden te zien van wie hij is. Ieder snippertje informatie grepen we aan als drenkelingen een stuk drijfhout.
'Een serieuze jongen, vaak. Een zekere gravitas, durf ik zelfs te zeggen. Vooral als hij in het niets zit te staren nadat hij zijn melk op heeft. Maar hij is er ook op uit om iedereen genadeloos voor zich in te palmen. Hij draagt een onuitputtelijke trukendoos aan komische smoeltjes met zich mee. Het kind is tamelijk manipulatief in z'n charmeoffensieven, durf ik te beweren.' We vingen hem op basis van bijna niets in herkenbare eigenschappen. Een mens zou hij zijn, verdomme.

Maar de laatste dagen verkeren we in een staat van ademloosheid om de saamhorigheid die we plots door dat kleine witte hamlapje voelen. Het kind is nu voorgoed ontwaakt. We eten samen. We maken grappen. Hij kijkt om de beurt naar ons met het tevreden smoel van een geheelonthouder op leeftijd die stiekem een flesje whiskey onder z'n corduroy jasje heeft. Hij laat zich keer op keer met dat topzware hoofd achterover tuimelen in de overtuiging dat hij gevangen wordt. Hij is zo schaamteloos blij met ons als nog nooit iemand met ons geweest is. En wij zinken weg in de liefde, die niets te maken heeft met rationele overwegingen. Het is, zoals Willem laatst zei, nog nooit zo makkelijk geweest om van iemand te houden. En even is alles makkelijk. De dagen. Het slapen. Het samen zijn.

 

Gisteren beleefde ik als kers op de taart een van de meest zuivere dagen van mijn leven.

 

Het is een wankel evenwicht, een tijdelijke enclave. We weten het. Voor we met onze ogen kunnen knipperen breken andere tijden aan. Het praten en daarmee het verzet. Het lopen en daarmee de pijn. De driftigheid waarvan je hoopte dat die je kind bespaard zou blijven. De schrikachtigheid die je in jezelf haat.
Het zal steeds leuker worden, zoals ze ons allemaal keer op keer blijven vertellen. Het zal steeds zwaarder worden, zoals ze ons allemaal keer op keer blijven vertellen.

Maar deze tijd, waarin Willem en ik 's avonds als hij slaapt op het balkon zachtjes fluisterend voor de duizendste keer doornemen wat voor geweldigs hij vandaag allemaal deed en waarin we 's ochtends bijna naar zijn bed rennen om het eerste grimasje op te vangen, die is heilig. We hebben een intelligente puppy in huis die je eindeloos in de dikke, slappe beentjes kan bijten. 

Misschien duurt het nog maar een week. Misschien nog wel een paar maanden. Vanaf het moment dat hij zijn intrede deed is alles onvoorspelbaar. Wat we wel weten is dat we dit meer dan verdiend hebben. Een korte tijd van vrede en rust na de chaos van de winter.

En gisteren, toen ik een dag met Ezra alleen was, beleefde ik als kers op de taart een van de meest zuivere dagen van mijn leven. We lagen samen op een kleed op de grond. Ik gaf hem steeds zoentjes. Hij speelde met z'n handen. We luisterden naar Hilversum 3 van Herman van Veen, omdat ik dat ook als kind deed. Ik zag mijn ouders voor me als jonge mensen. Ik zag mezelf als dikke baby. Ik zag Ezra. Ik zag hoe hij leerde luisteren. Hoe hij moest lachen om bepaalde woorden in de muziek. Ik zag een lief mens die nu nog even vrij is van ellende.

En ik werd een oester.

 

Sarah Sluimer schrijft aan haar eerste roman bij Atlas/Contact en maakt programma's voor Paradiso. Willem Bosch is scenarioschrijver van oa Van God Los en Penoza. Ze zijn trotse ouders van een prachtige zoon. Ezra. In Amsterdam. En delen om-en-om hun ervaringen als kersverse ouders.

//

'De een zag ik in iedere club na twee wijn tegen pilaren op rijden, de ander wilde altijd onze borsten vergelijken in de spiegel.' Lees verder >